(1868 – 1898) ONTSTAAN EERSTE SPAANSE REPUBLIEK

Spanje heeft een rijke geschiedenis. In de prehistorie was het de laatste toevluchtshaven van de neanderthalers en herbergde het onze voorouders, de cro-magnonmensen, die de prachtige schilderingen aanbrachten in de grotten van Altamira. Later vestigden zich op het Iberisch schiereiland de Foeniciërs en Grieken en vochten de Carthagers er met de Romeinen. De daaropvolgende Romeinse bezetting duurde vele eeuwen en beïnvloedde de cultuur van Spanje diepgaand. Na de Romeinen namen de Visigoten bezit van het schiereiland, op hun beurt gevolgd door de Moren waarna een weergaloze culturele bloeitijd aanbrak. Honderden jaren nadien veroverden de christelijke koningen uit Castilië en Aragón het schiereiland, de Reconquista, en vestigden Carlos I, die wij beter kennen als keizer Karel V, en Felipe II een wereldrijk vooral door hun veroveringen in Amerika. Na een lange periode van neergang begon in de negentiende eeuw het gevecht tussen het oude regime en het liberalisme. Het anarchisme schoot wortel en het voorspel tot de Burgeroorlog van 1936-1939 begon. Deze oorlog trok sporen tot in het heden en bracht Spanje bijna veertig jaar dictatuur onder Franco. Deze aflevering omspant de periode van 1868 t/m 1898, waarin de eerste Spaans republiek ontstaat en eindigt bij de Spaans-Amerikaanse oorlog, die ondermeer de onafhankelijkheid van Cuba bracht.

De Eerste Spaanse Republiek ontstond tijdens de zogeheten revolutionaire jaren (het Sexenio Revolucionario) die begonnen na de opstand ‘La Gloriosa’ in september 1868. Koningin Isabel II, die het had verbruid bij alle politieke partijen door haar bemoeizucht met de dagelijkse politiek en haar promiscue gedrag, werd uit haar macht ontzet en ging in ballingschap. Na de verkiezingen begin 1869 zette de gematigd liberale regering zich aan de formulering van een nieuwe grondwet. Belangrijkste onderwerpen waren de erkenning van de nationale soevereiniteit en de vastlegging van burgerrechten. Dit laatste kwam tot uiting in de bepaling dat Spanjaarden en ook vreemdelingen die een ander geloof dan het rooms katholicisme aanhingen, daartoe het volste recht hadden, mits de uitoefening ervan niet in strijd was met de goede zeden.

Ontevreden bevolking
Omdat het bestaan van de monarchie niet ter discussie stond, ging eerste minister Juan Prim op zoek naar een nieuwe koning. De keuze viel op Amadeo di Savoia ofwel ‘Amadeo I de España’. Vanuit haar ballingsoord liet Isabel II een scherp protest horen tegen het schenden van de rechten die de Borbóns hadden op de troon. Amadeo wachtte een lauwe ontvangst in Spanje waar het volk diverse opstanden had ontketend, teleurgesteld als het was door het niet inlossen van beloftes zoals de beëindiging van de belastingen op verbruiksgoederen en het afschaffen van het gehate systeem van rekrutering voor het leger, de zogeheten quintas, een vorm van loting onder mannen die de meerderjarige leeftijd hadden bereikt. Omdat de dienstplicht af te kopen was, draaiden de armen altijd op voor de landsverdediging. Tijdens het regime van Prim kwam het federalisme op in Spanje dat autonomie op alle bestuurlijk niveaus bepleitte en de stichting van een federale staat voor ogen stond naar Amerikaans voorbeeld. Na de geslaagde moordaanslag op Prim in 1870 volgde een zeer instabiele periode omdat de twee belangrijke politieke leiders, de conservatieve Práxedes Sagasta en de radicale Manuel Ruiz Zorilla, tot weinig of geen compromissen bereid bleken.

De eerste Spaanse republiek
De ontstane democratische monarchie, beheerst door de Spaanse gegoede middenklassen, was geen succes. Het ontbrak aan een breed draagvlak onder de bevolking, die nodig was vanwege de toenemende agressiviteit van de carlisten en vooral ook vanwege de toenemende kracht van de socialistische beweging. Koning Amadeo, die niet toegaf aan de wens van de Spaanse monarchisten om de macht te grijpen, trad op 11 februari 1873 af en verliet het land. De Eerste Republiek werd uitgeroepen waarmee ruimte kwam voor andere denkbeelden. De omwenteling omvatte drie wezenlijke elementen: het inwisselen van de monarchie voor een republiek, het inruilen van een confessionele staat voor een neutrale en de keuze voor een staat met een decentraal karakter. Daarnaast speelde sociale bewogenheid een belangrijke rol. Geestelijk vader van dit nieuwe staatsconcept was de federalist Francisco Pi y Margall, die eind 1873 de macht in handen kreeg. Rond die tijd woedde de in 1872 begonnen Tweede Carlistenoorlog in alle hevigheid. De carlisten, onder aanvoering van Carlos VII, wisten grote delen van Noord-Spanje te veroveren en stichtten daar zelfs een alternatieve staat, gebaseerd op oeroude feodale opvattingen. Deze oorlog eindigde pas in 1876. In het zuiden werd Pi y Margall geconfronteerd met de zogeheten kantonnale opstanden die hem in een lastig parket brachten. Hoewel hij een federalist was in hart en nieren, verafschuwde hij bewegingen die met geweld het staatsbestel wilden veranderen. Zijn in de ogen van conservatieven te milde houding jegens het kantonnalisme leidde tot een gedwongen aftreden, waarna de conservatieve Nicolás Salmerón hardhandig afrekende met de opstandelingen. Cartagena was de laatste stad die zich overgaf in 1874, nadat het door bombardementen vrijwel met de grond gelijk was gemaakt. Een kwestie die op de achtergrond speelde was de opkomende bevrijdingsbeweging op Cuba en Puerto Rico die in 1868 leidde tot onafhankelijkheidsverklaringen in de beide kolonies. Op Cuba begon een verzetsoorlog die tien jaar zou duren en uiteindelijk eindigde met de erkenning van het eiland als provincie van Spanje, bevrijding van slaven en uitbreiding van burgerrechten.

De Nación Española
De debatten in de Cortes over een nieuwe grondwet begonnen in 1873. Het concept ervoor was voorbereid door een commissie onder voorzitterschap van Emilio Castelar. Uitgangspunt was de eenheidsstaat, de ‘Nación Española’, waarin zeventien afzonderlijke staten zouden bestaan, maar waar het begrip ‘kanton’ zorgvuldig was vermeden. Op het Iberisch schiereiland kwamen dertien staten, vervolgens twee eilandstaten, te weten de Balearen en de Canarische eilanden en twee Amerikaanse staten, namelijk Cuba en Puerto Rico. De overige Spaanse gebiedsdelen, zoals de Filippijnen, bleven voorlopig buiten dit systeem. Er werden drie bestuurlijke niveaus onderscheiden. Het nationale niveau van de federale staat, het regionale niveau van de staten en dat van de gemeenten. De twee lagere niveaus kenden een eigen soevereiniteit of autonomie die echter begrensd werd door de competenties en rechten van het niveau erboven. Die autonomie van de lagere niveaus was ruim. Zo konden staten hun eigen grondwet formuleren, mits deze niet conflicteerde met de nationale grondwet. De gemeenten genoten volledige administratieve en economische zelfstandigheid. Castelar, die in september 1873 tot president was benoemd, kon zijn conservatieve opponenten op geen enkele manier overtuigen van het belang van zijn voorstellen. Hij moest dan ook het veld ruimen toen militairen een staatsgreep pleegden en de macht in handen legden van conservatieve bestuurders die echter niet in staat bleken om enige stabiliteit te creëren. Het was tenslotte de monarchist Antonio Cánovas del Castillo die ingreep en de in Londen verblijvende zoon van Isabel II, de jonge prins Alfonso, bewoog tot ondertekening van het manifest van Sandhurst dat een door Cánovas ontwikkelde blauwdruk inhield voor de vestiging van een constitutionele monarchie van rooms-katholieke snit. Na publicatie van dit manifest in Spanje organiseerden militairen eind 1874 een opstand waarbij Alfonso XII door de militairen tot koning van Spanje werd uitgeroepen. De Eerste Republiek was hiermee ten einde gekomen en Cánovas del Castillo begon aan de restauratie van de monarchie.

Nieuw monarchaal stelsel
In 1874 werd een einde gemaakt aan de Eerste Spaanse Republiek en de monarchie onder het koningschap van Alfonso XII hersteld. Dat was het werk van de historicus Antonio Cánovas del Castillo, die gedurende de laatste kwart van de negentiende eeuw zonder enige twijfel de meest invloedrijke politicus was van Spanje. Hij creëerde een nieuw monarchaal stelsel dat ruimte bood aan een weliswaar conservatief getint, maar niettemin liberaal-kapitalistisch systeem, waarin het primaat van de politiek lag bij de regering en de Cortes, met de koning als bewaker van de liberale staat. Sluitstuk van de politieke doctrine van Cánovas was de creatie van een systeem dat de conservatieve en meer progressief getinte bewegingen in staat stelde elkaar af te wisselen als regeringspartij. Als de ene partij was uitgeregeerd werd de koning gevraagd de regering te ontslaan en de Cortes te ontbinden. De daaropvolgende manipulaties met de verkiezingen brachten dan automatisch de andere partij aan de macht. Dit systeem, het zogeheten turnismo, had als voordeel dat het voortbestaan van de monarchie gegarandeerd was en voor de nodige stabiliteit zorgde na decennialang oplaaiende opstanden. Het turnismo werd vooral in stand gehouden door lokale caciques die op grote schaal verkiezingsfraude pleegden. Deze fraude staat in Spanje bekend als el pucherazo, afgeleid van het woord puchero ofwel ‘de pot’ waarin men valse stemmen bewaarde om deze later, indien nodig, toe te voegen aan de stembussen. Deze term is nog steeds in zwang. Om er zeker van te kunnen zijn dat het gewenste politieke stelsel kon functioneren was het essentieel dat het zowel bij conservatieven als progressieven zou komen tot de formatie van nieuwe partijen die dit model onderschreven. Dat betekende dat Cánovas zelf de gematigde liberalen verbond in de Partido Conservador, terwijl aan de linkerzijde Práxedes Sagasta progressieve groeperingen bij elkaar bracht in de Partido Liberal. In 1876 kwam een nieuwe grondwet tot stand waarin bepaald was dat de soevereiniteit van Spanje een gedeelde was en zowel bij de koning als de Cortes berustte. Een andere belangrijke bepaling betrof de confessionaliteit van de staat, waarin het rooms-katholicisme als staatsgodsdienst werd erkend. Andere geloofsrichtingen werden wel weliswaar getolereerd, maar uitingen ervan waren bij wet verboden.

Dictadura Canovista
Vanaf 1874 tot begin 1881 regeerde Cánovas met harde hand en deze periode wordt dan ook wel de ‘Dictadura Canovista’ genoemd. De beëindiging van de Tweede Carlistenoorlog, in 1876, en van de tienjarige bevrijdingsoorlog op Cuba, in 1878, droegen bij aan de beeldvorming van een regering die orde op zaken wist te stellen en de vrede kon handhaven. Kenmerkend voor de regering van Cánovas was de beknotting van de persvrijheid en van de vrijheid van samenkomst en vereniging. Dankzij het turnismo kwam in 1881 Sagasta aan de macht die de burgerrechten herstelde en de rijksbegroting op orde bracht. Tijdens zijn bewind kreeg het eerder opgerichte Institución Libre de Enseñanza handen en voeten. Uitgangspunt van dit instituut was de filosofie van de Duitser Karl Krause en het groeide uit tot een gerenommeerd centrum voor onderwijsvernieuwing. Na een kort regerings-intermezzo onder leiding van Izquirda Dinástica, een afscheiding van de Partido Liberal, werd Cánovas opnieuw premier.

Herinvoering algemeen kiesrecht
Alfonso XII overleed eind 1885. Op dat moment was zijn vrouw Maria Christina von Österreich zwanger. Cánovas en Sagasta kwamen overeen dat zij het regentschap op zich zou nemen. In mei 1886 werd een jongetje geboren: Alfonso XIII. Tot aan diens meerderjarigheid in 1902 wisselden conservatieven en progressieven in het kader van het turnismo elkaar nog zeven keer af. In 1887 werd tijdens het bewind van Sagasta een belangrijke wet aangenomen, waarin niet alleen het recht op associatie werd vastgelegd, maar ook het recht op collectieve acties. Deze wet werd internationaal geprezen vanwege haar, vooral voor die tijd, vooruitstrevend karakter en is van grote betekenis geweest voor de ontwikkeling van de arbeidersbeweging. Zij was een flinke steun in de rug bij de oprichting van vakorganisaties zoals die van de Unión General de Trabajadores (UGT) in 1888. In 1890 werd het algemeen kiesrecht voor meerderjarige mannen opnieuw ingevoerd (de eerste keer was in 1869). Formeel betekende de herinvoering van het algemeen kiesrecht een bevestiging van het democratisch gehalte van de Spaanse natie, maar in de praktijk bleef het turnismo de overhand houden met de daarbij behorende grootschalige manipulaties van verkiezingsuitslagen. Nog altijd heerste er controle van bovenaf en was van politieke invloed van het volk maar weinig sprake.

Spaans-Amerikaanse oorlog
Tegen het einde van de negentiende eeuw groeiden in de koloniën Cuba, Puerto Rico en de Filipijnen de onafhankelijkheidsbewegingen flink in kracht, waarbij zij steun kregen van de Verenigde Staten die al in 1823 bij monde van president Monroe hadden laten weten dat de Caraïbische eilanden onderdeel waren van het Amerikaanse continent. Onder druk van de Verenigde Staten verleende Spanje in 1897 aan Cuba en Puerto Rico autonomie, maar er kwam geen rust, vooral vanwege het ontploffen van de Amerikaanse kruiser Maine in de haven van Havana. De oorzaak ervan is nooit achterhaald, maar de VS gaven Spanje de schuld, waarna de Spaans-Amerikaanse oorlog uitbrak die uitliep op een grote nederlaag voor Spanje. Het vredesverdrag van Parijs, dat op 10 december 1898 gesloten werd, bracht Cuba onafhankelijkheid terwijl Puerto Rico, de Filipijnen en Guam, dat onderdeel was van de Marianen in de Pacifc, overgingen in Amerikaanse handen. Materieel, maar vooral in aanzien, was van het eens zo machtige Spaanse imperium niets meer over behalve de bezittingen in Marokko. Tijdens de koloniale oorlogen kwam het in Spanje tot protesten, waarbij vooral ex-premier Pi y Margall en Pablo Iglesias, oprichter van de Partido Socialista Obrero Español (PSOE), zich roerden. In Barcelona vielen doden door een bomaanslag en werden tal van onschuldigen gevangen genomen en gemarteld. Het was in dit klimaat dat premier Cánovas del Castillo in 1897 door de anarchist Michele Angiolillo werd vermoord.

Tekst: Jan Nicolas
Foto: Adobe

Aanbevolen voor jou...

Leave a Comment