(1784 – 1866) AFBROKKELING SPAANS WERELDIMPERIUM

Spanje heeft een rijke geschiedenis. In de prehistorie was het de laatste toevluchtshaven van de neanderthalers en herbergde het onze voorouders, de cro-magnonmensen, die de prachtige schilderingen aanbrachten in de grotten van Altamira. Later vestigden zich op het Iberisch schiereiland de handeldrijvende Foeniciërs en Grieken en vochten de Carthagers er met de Romeinen. De daaropvolgende Romeinse bezetting duurde vele eeuwen en beïnvloedde de cultuur van Spanje diepgaand. Na de Romeinen namen de Visigoten bezit van het Iberisch schiereiland, op hun beurt gevolgd door de Moren waarna een weergaloze culturele bloeitijd aanbrak. Honderden jaren nadien veroverden de christelijke koningen uit Castilië en Aragón het schiereiland, de Reconquista, en vestigden Carlos I, die wij beter kennen als keizer Karel V, en Felipe II een wereldrijk vooral door hun veroveringen in Amerika. Na een lange periode van neergang begon in de negentiende eeuw het gevecht tussen het oude regime en het liberalisme. Het anarchisme schoot wortel en het voorspel tot de Burgeroorlog van 1936-1939 begon. Deze oorlog trok sporen tot in het heden en bracht Spanje bijna veertig jaar dictatuur onder Franco. Deze aflevering omspant de periode van 1784 t/m 1866, waarin het Spaans wereldimperium langzaam afbrokkelt en diverse onrusten en opstanden uiteindelijk zorgen voor de val van de Spaanse monarchie.

Fernando VII was het negende kind uit het huwelijk van zijn vader Carlos IV met María Luisa de Parma en zag het levenslicht op 29 september 1784. Ten gevolge van de gedwongen abdicatie van zijn vader in 1808 werd Fernando formeel koning van het rijk, maar Napoleon Bonaparte zette hem opzij en eiste de Spaanse troon op voor zijn broer José I. Pas in 1813, na afloop van de Onafhankelijkheidsoorlog, begon Fernando VII zijn regeerperiode die duurde tot aan zijn overlijden in 1833. In 1814 eindigde eindelijk de Spaanse onafhankelijkheidsoorlog en met het verdrag van Valençay erkende Keizer Napoleon Bonaparte Fernando VII als rechtmatige koning van Spanje. Fernando pleegde vervolgens een staatsgreep, annuleerde de constitutie van Cádiz en begon aan een grondige restauratie van het ancien regime.

Einde Spaans imperium
Hij stelde de eeuwenoude radenstructuur weer in ere, alsook de Inquisitie, de gilden, heerlijke rechten en draaide de onteigeningen van kerkelijke bezittingen terug. Dat ging zelfs de Heilige Alliantie te ver. Dit was een bondgenootschap van Rusland, Oostenrijk en Pruisen, met als doel in Europa de christelijke waarden te behoeden; hun protest was echter gericht aan dovemansoren. In 1808, toen de Spanjaarden in verzet kwamen tegen de Franse overheerser, ontwikkelde zich in de koloniën een situatie die sterk leek op die in het moederland. Op diverse plaatsen braken opstanden uit en ging men over tot het afleggen van onafhankelijkheidsverklaringen. In 1815 barstte in Peru de strijd los gevolgd door Argentinië in 1816 en in 1819 stichtte Simon Bolívar de Republiek van Colombia. De Spanjaarden waren niet bij machte het tij te keren. Het einde kwam in 1824 toen de Spaanse troepen bij Ayacucho in Peru een definitieve nederlaag leden. Dat betekende een enorme aderlating voor het Spaanse imperium. Tot het definitieve einde ervan in 1898 bezaten de Spanjaarden aan overzeese gebiedsdelen alleen nog Cuba, Puerto Rico en de Filipijnen. In Spanje zelf groeide de weerstand tegen het reactionaire beleid van Fernando VII die uitmondde in een geslaagde opstand in 1820. Er volgden drie jaar van liberaal-constitutioneel beleid.

Stilgehouden meningsverschillen
Op 10 maart verklaarde Fernando VII de grondwet van Cádiz te erkennen met de beroemde uitspraak: “Laten we vrijuit, met mijzelf vooraan, de constitutionele weg bewandelen”. Hij benoemde een kabinet van liberale signatuur dat evenwel in problemen raakte vanwege de tot dan toe stil gehouden meningsverschillen tussen radicale en gematigd liberalen. Een verschil van mening had men bijvoorbeeld over de patriottische genootschappen, meestal in cafés waarin gelegenheid werd geboden tot het lezen van kranten en het voeren van discussies. Deze gezelschappen waren een doorn in het oog van de gematigden die niets zagen in het betrekken van gewone burgers bij het landsbestuur. De radicalen dachten daar anders over. Zij zagen in de genootschappen het vehikel om de publieke opinie tot ontwikkeling te laten komen. Behalve dat zij kritiek kreeg uit eigen gelederen, werd het de liberale regering lastig gemaakt door aanhangers van het absolutistisch gedachtegoed van Fernando VII. Er ontstonden bendes bestaande uit boeren die tijdens de Onafhankelijkheidsoorlog tegen de Fransen hadden gestreden. Zij beschouwden de liberalen als rijkelui die uitsluitend de boeren uit wilde zuigen door middel van nieuwe belastingen. Ook de clerus voelde zich tekort gedaan en wel door de onteigeningspolitiek en er groeide een religieus-agrarisch front tegenover de liberale regering. Vanaf 1821 deden er zich opstanden voor van absolutisten, vooral in de gebieden Navarra en Catalonië, maar deze werden resoluut en bikkelhard neergeslagen door de liberale regeringstroepen. Dit bewoog de Franse koning Louis XVIII ertoe een grote interventiemacht te sturen om zijn familie bij staan en het oude Spaanse rijk te redden van de dreigende ondergang. Deze actie veroorzaakte het einde van het driejarig liberaal bewind en Fernando VII manifesteerde zich wederom als absoluut monarch. Er volgden tien jaren van repressie: de ‘Década Ominosa’. In die periode verlieten meer dan 15.000 liberale bannelingen het land.

Overlijden van Fernando VII
Wat Fernando zeker niet aandurfde was het in functie herstellen van de ‘Inquisitie’. De buitenlandse druk om daarvan af te zien was eenvoudigweg te sterk, maar daarmee haalde hij zich wel de woede op de hals van zijn meest onverzoenlijke aanhangers. In dit opzicht kan Fernando VII zeker als gematigd worden beschouwd, helemaal in vergelijking met zijn broer Carlos, die hem bij herhaling verweet veel te liberaal te zijn. Vergelijkbare verwijten kreeg Fernando ook van zijn oudste zuster Carlota Joaquina, die gehuwd was met de Portugese koning João VI. Rondom hun zoon Miguel en Fernando’s broer Carlos ontstonden twee zeer verwante ultraconservatieve bewegingen die bekend staan als het ‘miguelisme’ in Portugal en het meer bekende ‘carlisme’ in Spanje. In 1827 deed zich in Catalonië een opstand voor. Agrariërs trokken samen met arme inwoners van de grote bevolkingscentra op tegen de gehate autoriteiten in wat de ‘guerra de los agraviados’, in het Catalaans ‘dels malcontents’, werd genoemd. De opstandelingen eisten niet alleen de totale uitbanning van de liberalen en herinvoering van de Inquisitie, maar riepen Fernando VII ook openlijk op om plaats te maken voor zijn in Catalonië meer geliefde broer Carlos. Fernando aarzelde geen moment en sloeg de opstand neer, maar hij bezon zich wel op de troonopvolging, want op dat moment had hij geen mannelijke nakomelingen en bij het ontbreken ervan zou zijn broer Carlos hem opvolgen en dat wilde hij kostte wat het kost voorkomen. Hij wees dan ook zijn dochter Isabel aan als troonopvolgster. De laatste maanden van zijn leven waren moeilijk voor de koning. De carlisten namen steeds vaker openlijk stelling tegen Fernando. Toen Carlos weigerde de eed af te leggen ter erkenning van Isabel als ‘Princesa de Asturias’, de officiële titel voor de troonopvolger, ging hij, wat Fernando betrof, flink over de schreef en werd hij gedwongen uit te wijken naar Portugal. Op 29 september 1833 overleed Fernando VII onverwachts na een heftige beroerte.

Isabel II en de generaals
Na het overlijden van koning Fernando VII werd zijn vrouw María Cristina benoemd als regentes voor de nog geen drie jaar oude Isabel II. María was nog maar net in functie toen een carlistische opstand uitbrak, het voorspel voor de Eerste Carlistenoorlog. De kosten van de strijd tegen de carlisten werden bestreden door onteigening van kerkelijke bezittingen. Door deze bezittingen publiekelijk te veilen kwamen zij in handen van de rijke elite. Het vulde de schatkist, maar van het liberale uitgangspunt om de gronden eerlijk te verdelen kwam niets terecht. In 1836 bracht het vigerende censuskiesrecht, dat was ingesteld met het Koninklijk Statuut van 1834 en waardoor nog geen half procent van de bevolking naar de stembus kon gaan, een overwinning voor de gematigde liberalen. Dat gaf aanleiding tot felle protesten die de regentes dwongen tot het in werking stellen van de grondwet van Cádiz uit 1812. Na verkiezingen kwamen de progressieven aan de macht. De carlisten, een ultraconservatieve beweging die zich sterk maakte voor herstel van de absolute monarchie onder koningschap van de broer van Fernando VII, Carlos, begonnen een eerste oorlog in 1834. Zij hadden vooral succes in het noorden waar deze beweging haar oorsprong had, maar doorstoten naar het zuiden lukte niet.

Straatarme arbeidersbevolking
De Eerste Carlistenoorlog eindigde in 1840 toen generaal Baldomero Espartero de carlisten versloeg. In 1837 kwam een nieuwe grondwet tot stand die zicht bood op samenwerking tussen progressieve en gematigd liberalen. Zij bleven elkaar echter wantrouwen en de daaruit voortvloeiende instabiliteit bracht in 1840 regentes María Cristina ertoe haar taken over te dragen aan de populaire generaal Espartero. Zij kon terugkijken op een periode waarin de industrialisatie in Spanje tot ontwikkeling was gekomen. In Catalonië bloeide de katoenindustrie en in het Baskenland, Asturië en Málaga floreerde de mijnbouw en metaalindustrie. Deze industrialisatie bracht uiteraard ook sociale conflicten met zich mee ten gevolge van de mechanisering die werkloosheid veroorzaakte onder de straatarme arbeidersbevolking. Met het vertrek van María Cristina lag voor Espartero de weg open om de doelstellingen van de progressieven te realiseren zonder last te hebben van de monarchie. De wetgeving rond de onteigeningen van kerkelijke en adellijke bezittingen werd verder uitgebouwd. Negatief was het misbruik dat de progressieven maakten van hun positie door geestverwanten te benoemen op bestuurlijke posten.

Vlucht van Espartero
Cliëntelisme vierde hoogtij en in gebieden waar veel grond dankzij de onteigeningen in handen was gekomen van de welgestelden ontwikkelde zich ware oligarchieën. Het caciquismo deed op grote schaal zijn intrede. Het verzet tegen Espartero groeide meer en meer en de opstanden die als gevolg hiervan uitbraken in verschillende delen van Spanje, wonnen zo enorm aan kracht, dat Espartero niets anders overbleef dan in 1843 naar Engeland te vluchten. Zijn conservatieve evenknie, veldmaarschalk Ramón María Narváez, nam de macht over. Hij introduceerde in 1845 een nieuwe, meer behoudende grondwet die de maatschappelijke orde onder de traditionele hiërarchische verhoudingen handhaafde. Hij kwam met een nieuwe, goed doordachte wetgeving, om de effectiviteit van de belastinginning te vergroten. Er kwam onderscheid tussen een directe belasting in rurale streken (zoals onroerend goed, landbouw en veeteelt) en een indirecte in geürbaniseerde gebieden (verbruikersbelasting). In 1846 trad Isabel, op haar zestiende verjaardag, in het huwelijk met haar neef Francisco de Asisi.

Opkomende arbeidsonlusten
De politieke situatie in Spanje was toen al zeer onrustig. Net als in andere Europese landen waren linkse bewegingen in opkomst die door heel Europa leidden tot de revoluties van 1848, maar voor de Spaanse regering kwam de dreiging juist meer uit de ultrarechts hoek van de carlisten. Hun opstand in Catalonië mondde uit in een driejarige oorlog: ‘La guerra dels Matiners’, maar troonpretendent Carlos leed een gevoelige nederlaag. Tot 1854 regeerden de gematigd liberalen en leidde Narváez diverse kabinetten, waarbij hij zich veelal dictatoriaal opstelde. Daartegen kwam onder meer veldmaarschalk Leopoldo O’Donnell, een Spanjaard met Ierse voorouders, in opstand en de roep om de terugkeer van Espartero leidde tot een hernieuwd aantreden van de generaal met O’Donnell aan zijn zijde als minister van Oorlog. Een aantal belangrijke economische wetten werd ingevoerd, zoals de wet op de onteigeningen, de spoorwegenwet en diverse wetten op het bankwezen. De spoorwegenwet gaf een enorme stimulans met betrekking tot de aanleg van spoorwegen in Spanje. Tien jaar later was er al 5000 kilometer rails aangelegd. De aanpak van de opkomende arbeidsonlusten dreven echter een wig tussen Espartero en O’Donnell en dat betekende het einde van het tweejarig progressief bewind. O’Donnell greep op verzoek van koningin Isabel II hardhandig in, maar weigerde op zijn beurt de onteigeningswetten af te schaffen. Reden voor Isabel II om Narváez weer tot kabinetschef te benoemen die daar totaal geen moeite mee had. Narváez bleef echter maar kort aan het bewind, maar bracht wel een onderwijswet tot stand die aan de geloofsleer alle gewenste ruimte bood en aan de kerk een controlerende rol toebedeelde.

De val van de monarchie
Het jaar 1857 bracht eindelijk weer eens wat vreugde aan het Spaanse hof door de geboorte op 28 november van kroonprins Alfonso, maar het was ook meteen een jaar van zware sociaaleconomische problemen wegens een groot tekort aan ondermeer graan. De daardoor ontstane onrust werd keihard en bloedig onderdrukt door koningin Isabel. Isabel wendde zich daarna opnieuw tot O’Donnell die er medio 1858 in slaagde een kabinet van brede samenstelling te formeren. Dankzij voor hem gunstige verkiezingsuitslagen kon zijn regering aanblijven tot 1863, wat voor die tijd uitzonderlijk lang was. Een door hem geïntroduceerde nieuwe wetgeving droeg bij aan de noodzakelijke modernisering van de overheid. Maar na een min of meer rustige periode tijdens het ‘Kabinet O’Donnell’ namen de onrusten na zijn val wederom toe en werd de positie van koningin Isabel II vrijwel onhoudbaar, grotendeels vanwege haar vele, alom bekende, buitenechtelijke uitspattingen. Het is zeker niet voor niets dat ze in Spanje de veelzeggende bijnaam ‘La reina ninfómana’ had. Deze spraakmakende koningin bedreef net zo eenvoudig de liefde met mannen als met vrouwen, maar de bekende druppel kwam toen ze, compleet in extase, betrapt werd in de stallen van haar paleis, terwijl zij zich liet verwennen door de koninklijke ezel.

Begin 1866 verviel Spanje dan ook in een crisis en een tekort aan primaire bestaansmiddelen, zoals nog steeds graan, schiep een explosief klimaat waaruit de revolutie ‘La Gloriosa’ en de uiteindelijke val van de Spaanse monarchie voortkwamen.

Tekst: Jan Nicolas
Foto: Adobe

Aanbevolen voor jou...

Leave a Comment