(0000 – 720 NC) VAN NEANDERTHALERS TOT VISIGOTEN

(0000 – 720 NC) VAN NEANDERTHALERS TOT VISIGOTEN

Spanje heeft een rijke geschiedenis. In de prehistorie was het de laatste toevluchtshaven van de neanderthalers en herbergde het onze voorouders, de cro-magnonmensen, die de prachtige schilderingen aanbrachten in de grotten van Altamira. Later vestigden zich op het Iberisch schiereiland de Foeniciërs en Grieken en vochten de Carthagers er met de Romeinen. De daaropvolgende Romeinse bezetting duurde vele eeuwen en beïnvloedde de cultuur van Spanje diepgaand. Na de Romeinen namen de Visigoten bezit van het schiereiland, op hun beurt gevolgd door de Moren waarna een weergaloze culturele bloeitijd aanbrak. Honderden jaren nadien veroverden de christelijke koningen uit Castilië en Aragón het schiereiland, de Reconquista, en vestigden Carlos I, die wij beter kennen als keizer Karel V, en Felipe II een wereldrijk vooral door hun veroveringen in Amerika. Na een lange periode van neergang begon in de negentiende eeuw het gevecht tussen het oude regime en het liberalisme. Het anarchisme schoot wortel en het voorspel tot de Burgeroorlog van 1936-1939 begon. Deze oorlog trok sporen tot in het heden en bracht Spanje bijna veertig jaar dictatuur onder Franco.


Deze aflevering van ‘Spaanse sporen’ omspant de periode vanaf de prehistorie tot en met de periode van de Vandalen en Visigoten die eindigde in 720 NC.

In de Sierra de Atapuerca, nabij de stad Burgos, zijn overblijfselen gevonden van de oudste inwoners van het Iberisch schiereiland. Daar leefde 800.000 jaar geleden homo antecessor, een van de laatste gemeenschappelijke voorouders van de cro-magnonmens en neanderthaler. Homo antecessor was ongeveer even groot en zwaar als homo sapiens, maar zijn hersenvolume was met 1000 cm3 beduidend kleiner dan dat van ons (1350 cm3). Uit kerven op de fossielen is vrijwel zeker af te leiden dat homo antecessor kannibalisme bedreef. Ook is melding gemaakt van de vondst van een kaak die op 1.2 miljoen jaar oudwordt geschat. Ongeveer 50.000 jaar geleden begon homo sapiens aan zijn tocht vanuit het oosten richting Europa en bereikte het Iberisch schiereiland via de Cantabrische en Catalaanse kust, respectievelijk aan het westelijk en oostelijk uiteinde van de Pyreneeën. Deze binnendringers, de cro-magnonmensen, leefden net als elders in Europa ongeveer 25.000 jaar samen met de neanderthalers. Neanderthalers waren kleiner dan homo sapiens, maar veel sterker en ook hun hersenvolume was groter. Of ze een taal hadden, blijft in het duister en ook over de vraag of zij zich hebben gemengd met hun buren bestaat nog altijd discussie. De neanderthalers, waarvan de jongste resten gevonden zijn in de buurt van Gibraltar, stierven ongeveer 24.000 jaar geleden uit. Meest waarschijnlijke oorzaak ervan is dat homo sapiens toch wat slimmer was als het om voedselvergaring ging en de neanderthalers van honger het loodje legden. De de cro-magnonmensen bewoonden tussen 35.000 – 10.000 VC het schiereiland en dat was de tijd waarin zij, net als hun verwanten bij Lascaux in Frankrijk, bij Altamira in Noord-Spanje hun schitterende schilderingen aanbrachten op de wanden van grotten waarin zij leefden. De schilder Pablo Picasso schijnt bij het zien van de grotschilderingen van Altamira te hebben uitgeroepen: ‘Después de Altamira, todo parece decadente’ (Na Altamira lijkt alles decadent). Rond 10.000 VC vond er een belangrijke omwenteling plaats in de menselijke geschiedenis. In het Midden-Oosten vestigden jager-verzamelaars zich op vaste plaatsen in landbouwgemeenschappen en ontwikkelden de techniek van het pottenbakken. Stedelijke kernen ontstonden niet lang daarna evenals handelsstromen. Deze zogeheten neolitische revolutie verspreidde zich in westelijke richting en heeft tal van indrukwekkende sporen achtergelaten. De oudste neolithische resten gevonden op het Iberisch schiereiland dateren uit ongeveer 5500 VC.

Pre-Romeinse volkeren 4000 – 200 VC
Rond 3000 VC begon de bronstijd en ontwikkelde zich de metallurgie. Eerst werd het makkelijk winbare koper gebruikt waarna de uitvinding van het brons volgde. In vergelijking met andere Mediterrane landen is Spanje rijk aan minerale grondstoffen zoals ijzer, tin, lood, koper en zilver. Deze rijkdom werd niet alleen geëxploiteerd door de autochtone bevolking, maar trok ook andere volkeren aan. In het zuidoosten van Spanje zijn bijvoorbeeld resten gevonden van de uit de Bronstijd daterende El Argar cultuur (rond 1.500 VC). Een volk dat een hoge perfectie had bereikt in de metaalbewerking. Deze cultuur is hoogst waarschijnlijk voortgesproten uit de nog oudere cultuur van Los Millares (3100 – 2200 VC) die verspreid was over het zuidoostelijk deel van Spanje. Het verdwijnen van de El Argar cultuur kwam waarschijnlijk onder invloed van de aan het begin van de IJzertijd binnendringende volkeren, zoals de uit Frankrijk komende Kelten die het ijzer introduceerden op het Iberisch schiereiland. De Keltische invasie vond plaats in twee golven, een eerste aan het eind van het tweede millennium VC en een tweede vanaf het begin van de achtste eeuw VC. De Kelten verspreidden zich, op zoek naar tin, over het noordelijk deel van Spanje en vermengden zich met de Iberos tot Celtiberos. De Iberos bewoonden het gehele Levantijnse deel van het Iberisch schiereiland. Over de vraag waar zij vandaan kwamen, bestaat verschil van mening. Eén theorie stelt dat zij afkomstig zijn uit meer oostelijke streken en zich rond 5000 VC in Iberia vestigden. Anderen beweren dat zij afkomstig zijn uit Noord-Afrika. In elk geval hadden de Iberos een hoog ontwikkelde cultuur waarvan het beroemde kunstwerk La Dama de Elche getuigt. In het uiterste zuiden van Spanje nabij Huelva bevinden zich in de Sierra Morena de mijnen van Rio Tinto. Deze tot op de dag van vandaag belangrijke mijnen bevatten koper, ijzer en magnesium en werden vanaf het einde van de bronstijd tot ongeveer 500 VC geëxploiteerd door de Tartessos. Aan de noordzijde van het gebied dat beheerst werd door de Tartessos, nabij de huidige stad Linares, bevond zich Cástulo als centrum van mijnbouw die al begon in de bronstijd en die zich volgens de Griekse geschiedschrijver Artemidoro aan het begin van de zesde eeuw VC ontwikkeld had tot een van de belangrijkste steden in de regio. Ten tijde van de Keltische invasie (vanaf 1200 VC) arriveerden aan de Levantijnse kust de Foeniciërs. Het waren zeevaarders en handelaars, die de kusten van het huidige Libanon en Syrië bevolkten. Zij hadden geen veroveringen in de zin, maar wilden voet aan de grond krijgen om kleine bedrijfjes te stichten en om handel te drijven. Rond het begin van de elfde eeuw BC begon dit het karakter te krijgen van kolonisatie en werd op een geïsoleerde plaats de stad Gádir gesticht, later Gades genoemd en nu bekend als Cádiz, die daarmee de oudste stad van West-Europa is. De Grieken begonnen hun koloniale expansie in Iberia pas in de achtste eeuw BC, ruim na de Foeniciërs. Rond 600 VC drongen zij vanuit de stad Massalia, het huidige Marseille, het Iberisch schiereiland binnen, waar zij de stad Ampurias ofwel Emporion stichtten, waarvan resten te vinden zijn nabij de golf van Rosas. De invloed van de Grieken reikte tot aan de monding van de Ebro. Na in de eerste Punische oorlog te zijn verslagen door de Romeinen (236 VC), vestigden de Carthagers zich in het zuidoosten van het Iberisch schiereiland. In 227 VC stichtten de Carthagers de stad Qart Hadasht (Ciudad Nueva), het huidige Cartagena. Dit werd de basis voor de Carthaagse veroveringsveldtochten onder leiding van Hannibal waarmee de tweede Punische oorlog werd ingeluid (218 – 202 VC). Voor de komst van de Romeinen was het Iberisch schiereiland een lappendeken van volkeren met een verschillende origine die ruwweg leefden in vier zones. Eén met een Indo-Europees karakter in het noordwestelijke deel, bewoond door de Celtas (Kelten), een tweede zone in het oosten en zuidoosten met een duidelijk mediterrane cultuur, waarvan de Turdetanos en de Iberos belangrijke exponenten waren en een overgangszone waarin sprake was van een gemengde cultuur die van de Celtiberos. De vierde zone was die van de Vascones (Basken).

Romeinen 200 VC – 410 NC
De verovering van het Iberisch schiereiland door de Romeinen heeft tweehonderd jaar geduurd. Een langdurige verovering in vergelijking met die van de Moren, die negenhonderd jaar later bijna het gehele schiereiland binnen twintig jaar in handen wisten te krijgen. De Romeinen gingen de confrontatie met de eerder binnengedrongen Carthagers en de inheemse Iberiërs niet aan met een vooropgezette en uitgewerkte strategie. Er was meer sprake van reacties op gebeurtenissen en omstandigheden die zich aan hen voordeden. Wel wisten zij van de rijkdom aan mineralen en ertsen in de Iberische bodem en alleen al daarom bevochten de Romeinen de Carthagers die evenzeer uit waren op exploitatie ervan. Na afloop van de Tweede Punische oorlog in 202 VC stichtten de Romeinen twee provincies in Hispania als onderdeel van hun imperium: ‘Hispania Ulterior’ en ‘Hispania Citerior’. Vervolgens drongen zij dieper door in het schiereiland en vochten diverse oorlogen uit met de oorspronkelijke bewoners die tegen hen in opstand kwamen. De Celtiberische oorlogen werden gevoerd in het noordoostelijk deel van het Schiereiland en eindigden met het beleg en de verwoesting in 134 VC van de stad Numancia, nabij Soria. In het Atlantisch gedeelte van het Iberisch schiereiland, Lusitania, ontpopte Viriato zich als leider van de opstandelingen. Aangenomen wordt dat hij lid was van een van de adellijke Lusitaanse families, zij het dat hij ook best een bendeleider kan zijn geweest. Viriato bouwde een Lusitaans front op tegen de Romeinen en versloeg hen enkele keren in de strijd. In 139 VC, op het hoogtepunt van zijn macht als ‘Rey de Hispania Meridional’ (koning van zuidelijk Hispania) werd hij vermoord, waarmee een einde kwam aan het Lusitaanse verzet. Toen de Romeinen rond het midden van de tweede eeuw VC aan de verovering van het noordwesten begonnen, troffen zij een aantal Iberische stammen aan: zoals de Vascones de Cantabros en ten westen van hen wonende Astures, die geen enkele vorm van gezag kenden en zich hevig verzetten. Het duurde van 150 tot 19 VC voordat de Romeinen behalve de hierboven genoemde stammen ook de ten zuidoosten van het Cantabrisch gebergte levende Turgones en Vacceos hadden onderworpen in de zogeheten Cantabrische oorlogen. De Romeinen opereerden daarbij vanuit de door keizer Augustus gestichte stad Asturica Augusta, het huidige Astorga. De Romanisering van het Iberisch schiereiland is een uiterst langdurig proces geweest, dat al begon met de eerste veroveringen in de tweede eeuw VC en voortduurde tot aan het ineenstorten van het Romeinse gezag aan het begin van de vijfde eeuw.

Beheersing Latijn vereist
In geheel Spanje, behalve in het Baskenland, werd door de Romeinen het Latijn geïntroduceerd, wat meteen ook de reden is dat de huidige Baskische taal zo enorm afwijkt van het Spaans. Het Iberische schrift en alfabet verdwenen al in de eerste helft van de eerste eeuw. Beheersing van het Latijn was vereist om het Romeinse burgerschap te verwerven. De opkomst van het christendom werd in eerste instantie vergemakkelijkt door de tolerante houding die de Romeinen aannamen tegenover spirituele invloeden vanuit het oosten, waaronder het christendom, die zij beschouwden als eendagsvliegen. Of het christendom zijn weg naar het Iberisch Schiereiland vond vanuit Rome of via Afrika, zal wel altijd onderwerp van debat blijven, evenals het tijdstip waarop de opmars van deze religie in Spanje begon. Het Romeinse bestuursmodel dat in Spaanse bevolkingskernen werd geïntroduceerd richtte zich in het algemeen niet op religieuze en politieke gebruiken van de onderworpen volkeren. Voor de Romeinen stond het innen van belasting en de rekrutering van soldaten op de eerste plaats. Typerend voor deze bestuurscultuur was de focus op stedelijke samenlevingen. Nauw verbonden aan de urbanisatie van Spanje naar Romeinse snit was de introductie van het Romeinse recht, dat in meer algemene zin een van de hoekstenen is van onze westerse beschaving. Tijdens, maar vooral na de verovering van het Iberisch schiereiland, begonnen de Romeinen aan grootscheepse mijnbouw en ontwikkeling van geïrrigeerde landbouw. Al deze activiteiten brachten enorme handelsstromen teweeg tussen Spanje en Italië. Handel kan niet zonder infrastructuur en de Romeinen waren in de aanleg ervan ware meesters. De meest in het oog springende bouwwerken zijn het wegennet met zijn vele bruggen, de aquaducten en de stuwdammen. De Romanisering vond niet overal tegelijk plaats en drong ook niet overal even sterk door. Het proces begon in de provincies Baetica en de oostelijke delen van Cartaginensis en Taraconensis, waar al urbanisatiekernen bestonden uit de preromeinse tijd. In andere delen drong de romanisering later door en hield het gebruik van de inheemse taal zelfs stand, zoals in het Baskenland. Het vehikel dat het meest heeft bijgedragen aan de romanisering van het Iberisch schiereiland was het Romeinse leger, vooral gedurende de periode van vier eeuwen van vrede waarin het leger niet zozeer de rol vervulde van die van een bezetter, maar van een beschermer van de burgers van het Iberisch schiereiland tegen aanvallen van buitenaf.

Vandalen en Visigoten 410 – 720
In het jaar 409 trok een alliantie van ‘Barbaren’ de Pyreneeën over en het Iberisch schiereiland binnen. Deze alliantie bestond uit twee volkeren van Germaanse oorsprong: de Vandalen, de Sueven en een steppevolk van mogelijk Iraanse oorsprong, de Alanen. Deze indringers trokken plunderend over het schiereiland en zorgden voor chaos waaraan door de Visigoten, op verzoek van de Romeinen, een eind werd gemaakt. Rond het jaar 470 waren de Visigoten heer en meester op het Iberisch schiereiland en de Romeinen geheel verdrongen. De Visigoten hingen het arianisme aan, een variant van het christendom. Het arianisme kent in de heilige drie-eenheid alleen aan de Vader goddelijke status toe. De Zoon is slechts eerste onder de schepselen. Op het Iberisch schiereiland werden dus na de komst van de Visigoten twee tegengestelde versies van het christendom gepraktiseerd, elk met zijn eigen clerus, concilies en liturgie. De Visigotische koningen waren uiteraard arianen, maar toonden zich over het algemeen tolerant ten opzichte van katholieken. Katholieken bekeerden zich tot het arianisme en andersom. Het was koning Recaredo die na zijn troonsbestijging in 587 overging tot het katholicisme en twee jaar later verhief het concilie van Toledo het katholicisme tot staatsgodsdienst. De overgang naar het katholicisme pakte slecht uit voor de Joden, want zij werden daarna veel intensiever vervolgd dan in de periode van het arianisme. Vóór de Visigotische periode bestond er niet zoiets als het concept van Spanje, er waren slechts provincies die elk op zich onder Romeins bestuur stonden. Maar de Visigoten slaagden erin om het gehele Iberisch schiereiland onder één bestuur te brengen. Koning Recesvinto bundelde in 654 het vele wetgevende werk van zijn voorgangers en hemzelf in het Liber Judiciorum, de kroon op een voor die tijd in Europa ongehoorde poging om de eenheid van land en recht te doen samenvallen. Het Liber Judiciorum zou nog eeuwenlang een rol van betekenis blijven spelen. Aan het einde van de zesde en gedurende de zevende eeuw vormde Sevilla het culturele middelpunt van het Visigotische rijk, waarin bisschop Leandro een vooraanstaande rol speelde. Onder Leandro’s jongere broer en opvolger Isidoro, die de bisschopszetel van Sevilla veertig jaar zou bezetten, bereikte de Visigotische cultuur haar hoogtepunt.

Tekst: Jan Nicolas
Foto: Adobe