DWALEN DOOR… ALBARRACÍN

DWALEN DOOR… ALBARRACÍN

Albarracín ligt 36 km voorbij Teruel en is 300 km verwijderd van Madrid. De naam komt van de Moorse heerser, de Berber Aben Razin en zijn kinderen: Al-Banu-Razín: de kinderen van Razín. Hij was een vorst van de Almoraviden. Het dorpje huisvest 1100 ‘Albarracínenses’, zoals de bewoners worden genoemd, en werd in 1961 volledig geklasseerd als Historisch Erfgoed. Albarracín is een heus openlucht museum en een dorpje waarin sinds de 17de eeuw vrijwel niets veranderde. Het pronkstuk ligt 1171 meter boven de zeespiegel bij de Guadalaviar in de provincie Teruel in de regio Aragón. Het toeft te midden een imponerend landschap van omringende bergmassieven zoals de Sierra de Albarracín (1855 m) en de Montes Universales (1838 m), voorgebergten van de Serranía de Cuenca.

Iedereen is het er over eens: Albarracin, een hooggelegen dorpje in de provincie Teruel, is het mooiste dorp van Spanje. Een wandeling door de straten geeft het gevoel van het binnenlopen van een sprookje van mooie, aangename, onregelmatige hellingen. Een plek waar daken dichtbij elkaar komen in een eigenaardige, originele poging om bewoonbare ruimte te winnen. Het is een geflirt met de zon, die de voorbijganger streelt.

Klusjes? Bel De Klusjesman!

Zoveel om te bezichtigen
Historische huizen worden afgewisseld met kleine paleizen, de vestingmuur en het prachtige uitzicht. Maak een wandeling langs de rivier de Guadalaviar alvorens het sprookje waarin u de hoofdrol speelt te verlaten. Albarracin bekoort, charmeert met de voor deze streek typische huizen die zijn gebouwd met houten latwerk en roodachtige gipsen wanden. Het is een ode aan de zandstenen uit de Trias, aan de grillige, ronde silhouetten waarmee het natuurlandschap van de streek is doorspekt. De heuvel van San Ginés of de kapel van de Virgen de los Poyales. Al deze juwelen willen door u bezocht worden. Het Culturele Park van de Sierra de Albarracin heeft schitterende bossen van zeedennen. Groene, bruingrijze, oker en gele kleuren en schuilplaatsen met Levantijnse rotsschilderingen, vaak geschilderd met de vingers of pencelen gemaakt van manen of haren, blazend of met behulp van een bot of een rietstengel. Het palet werd verkregen door aarde en houtskool te verkruimelen en met water, dierenvet, bloed of het hars van de bomen te mengen. De Catedral del Salvador uit de 13de eeuw pronkt op de Plaza Mayor, de hoogste plek van het dorp. De eerste kerk verving omstreeks 1200 de Moorse moskee. Hij huisvest honderden jaren oude wandtapijten van de Vlaamse Brabantse school en unieke Romeinse vondsten. La Calle de la Catedral is de belangrijkste straat van het dorp, ook op historisch architecturaal vlak. De straat bestaat al sinds de 10de eeuw in haar huidige vorm en heeft de enige toegangspoort tot de vestingmuren. In deze straat is ook het Palacio Episcopal gesitueerd met een barokke toegangspoort uit de 17de eeuw. Dit vroegere bisschoppelijke paleis werd in 1996 omgebouwd tot het Congrespaleis van het dorp, het Palacio de Reuniones y Congresos. Ook het Museo Diocesano met zijn verzameling religieuze kunst is er ondergebracht.

Verbannen prinses
In het stadscentrum is ook de tijdens de 17de eeuw gebouwde Iglesia de Santiago te bewonderen, dat ontworpen is door Alonso de Barrio Dajo. De eerste christelijke kerk was de Iglesia de Santa María die omstreeks 1200 door architect Quinto Pierres Videl werd ontworpen. Net als de overige gebouwen van het dorp bevat zij elementen van de architecturale mudéjarstijl. De kerk is vandaag de dag alleen nog open in de Semana Santa. Het kleine fort ‘Torre de Doña Blanca’, is aangrenzend en was aanvankelijk bedoeld om de oostkant van het dorp te verdedigen. Het gebouw is genoemd naar Doña Blanca de Aragón, een verbannen prinses, die hier haar eenzame dagen sleet, met fraai uitzicht op de Guadalaviar rivier. Aan de andere kant van de rivier prijkt de Torre de la Muela. Het meest kleurrijke gebouw van het dorp is echter het Ayuntamiento (stadhuis), dat in de 16de eeuw werd opgetrokken in een vorm van een hoefijzer en bijna de helft van het plein inneemt. Het Castillo, dat het panorama is als men het dorp langs de weg nadert, werd in het vroegere dorpscentrum als een Alcázar van de toen heersende Berber familie Razin gebouwd. Tijdens de herovering van het dorp op de Moorse overheersers bleven echter alleen de muren overeind. Van de 11de tot en met de 14de eeuw werd het geheel verbouwd door de katholieke heersers, waarna het Alcázar en la Torre del Andador, het bastion, overbleef. Er zijn nu negen torens, die muren van 12 meter hoog en anderhalve meter dik met elkaar verbinden. Het oudste deel van het Castillo stamt uit het jaar 1.000.

Degene die er wel eens geweest zijn zullen het beamen, Albarracin is geweldig om naartoe te rijden en een juweeltje om al lopend te ontdekken. Nog nooit in Albarracin geweest? Dan is het absoluut de moeite waard om dat toch eens te doen. U zult er geen spijt van krijgen.


Tekst: Enrique Beekvelt
Foto: Adobe