Tweede Spaanse republiek

(1931 – 1936) DE TWEEDE REPUBLIEK

(1931 – 1936) DE TWEEDE REPUBLIEK

Spanje heeft een rijke geschiedenis. In de prehistorie was het de laatste toevluchtshaven van de neanderthalers en herbergde het onze voorouders, de cro-magnonmensen, die de prachtige schilderingen aanbrachten in de grotten van Altamira. Later vestigden zich op het Iberisch schiereiland de Foeniciërs en Grieken en vochten de Carthagers er met de Romeinen. De daaropvolgende Romeinse bezetting duurde vele eeuwen en beïnvloedde de cultuur van Spanje diepgaand. Na de Romeinen namen de Visigoten bezit van het schiereiland, op hun beurt gevolgd door de Moren waarna een weergaloze culturele bloeitijd aanbrak. Honderden jaren nadien veroverden de christelijke koningen uit Castilië en Aragón het schiereiland, de Reconquista, en vestigden Carlos I, die wij beter kennen als keizer Karel V, en Felipe II een wereldrijk vooral door hun veroveringen in Amerika. Na een lange periode van neergang begon in de negentiende eeuw het gevecht tussen het oude regime en het liberalisme. Het anarchisme schoot wortel en het voorspel tot de Burgeroorlog van 1936-1939 begon. Deze oorlog trok sporen tot in het heden en bracht Spanje bijna veertig jaar dictatuur onder Franco.


Na het aftreden van koning Alfonso XIII in 1931 werd de Tweede Spaanse republiek uitgeroepen. Deze was mogelijk gemaakt door een combinatie van verschillende politieke stromingen. Centrumrechts, aangevoerd door Niceto Alcalá Zamora, leider van de Derecha Liberal Republicana, streefde een gematigd liberale koers na en wenste geen al te rigoureuze sociale hervormingen en veranderingen in de relatie van kerk en staat. Tweede rechtse stroming was de Partido Republicano Radical van Alejandro Lerroux, die scheiding van kerk en staat en een vrije markteconomie ten doel had. De links-republikeinen van Acción Republicana onder leiding van Manuel Azaña zagen het ontstaan van de republiek als een mogelijkheid om tot fundamentele economische, sociale en politieke hervormingen te komen. De socialisten tenslotte, verenigd in de Partido Socialista Obrero Español stonden een geleidelijke, niet-revolutionaire overgang naar een socialistische maatschappij voor. Binnen de PSOE tekende zich al snel een richtingenstrijd af: die tussen de pragmatische democraat Indalecio Prieto en de revolutionairgezinde Francisco Largo Caballero.

HET ONTSTAAN VAN DE REPUBLIEK GAF MOGELIJKHEID TOT HERVORMINGEN

Niceto Alcalá Zamora
Niceto Alcalá Zamora

Scheiding van kerk en staat
Het door de republikeinse regering gedane voorstel om een nieuwe grondwet te schrijven veroorzaakte heftige debatten over de landhervorming en de positie van de kerk. Antiklerikale maatregelen, zoals scheiding van kerk en staat, verdrijving van jezuïeten en het verbod aan de congregaties om onderwijs te geven, leidde tot het vertrek van de zeer gelovige Alcalá Zamora als regeringsleider. Om een scheuring in de gelederen te voorkomen werd hem uiteindelijk het presidentschap aangeboden. Azaña volgde Alcalá Zamora op als premier. De maatregelen die de linkse regering trof vielen natuurlijk erg slecht bij katholieken en monarchisten. Katholiek rechts verenigde zich voor het eerst in de Spaanse historie in een politieke organisatie: de Confederación Española de Derechas Autónomas (CEDA), die stevig verzet bood tegen de linkse regering, maar niet neigde naar het ontketenen van opstanden. De enige poging daartoe kwam van generaal José Sanjurjo in 1932. Deze was echter erg slecht voorbereid en werd door de regering dan ook snel en resoluut de kop ingedrukt. Een veel serieuzere bedreiging voor de Spaanse regering en daarmee de Spaanse republiek, vormden de revolutionair gezinde anarchisten met hun gewelddadige acties.

Manuel Azaña
Manuel Azaña

Catalaanse staat
Het verzet tegen de koers van de regering Azaña groeide en nadat begin 1933 een aantal opstandige boerenarbeiders in het dorpje Casa Viejas was geëxecuteerd door de politie, was voor Alcalá Zamora de maat vol en schreef hij algemene verkiezingen uit die een eclatante overwinning voor de rechtse CEDA opleverde. In plaats van haar leider, José María Gil Robles, opdracht te geven een regering te formeren, benoemde hij Lerroux tot premier, die een kabinet samenstelde bestaande uit vertegenwoordigers van zijn eigen partij. Lerroux zag zich gedwongen een rechtse koers te varen om zich te verzekeren van gedoogsteun van de CEDA. In de herfst van 1934 brak een door links-revolutionaire krachten voorbereidde algemene opstand uit waarmee Largo Caballero, ook wel de Spaanse Lenin genoemd, de CEDA de weg naar de macht probeerde af te snijden. De opstand kwam niet van de grond, behalve in Catalonië en Asturië. De Catalaanse president Lluis Companys riep in Barcelona de Catalaanse staat binnen de republiek uit en in Asturië werd een revolutionair regime ingesteld. In Catalonië was het snel afgelopen en Companys belandde in de cel, maar in Asturië brak een echte burgeroorlog uit toen regeringstroepen onder leiding van generaal Francisco Franco met harde hand de revolutie smoorden.

DE REVOLUTIONAIREN WACHTTEN OP HUN KANS OM DE MACHT TE VEROVEREN

Alejandro Lerroux
Alejandro Lerroux

Werkeloosheid en arbeidsonrust
In het kabinet van Lerroux werd plaats gemaakt voor vijf ministers van de CEDA waaronder Gil-Robles die de post van Oorlog bezette. Hij draaide reorganisatieplannen die door Azaña waren ontwikkeld terug en benoemde generaal Franco tot chef van de generale staf. Ook andere initiatieven uit de voorgaande periode zoals de landhervorming werden geschrapt. Pogingen om de grondwet te wijzigen leden schipbreuk vanwege de val van het kabinet om een begrotingskwestie. De stabiliteit van de volgende regeringsploeg kwam ernstig in gevaar toen bleek dat Lerroux betrokken was bij een grote corruptie affaire, het zogeheten Straperlo schandaal, vernoemd naar een illegaal ingevoerd gokspel. De CEDA lokte een kabinetscrisis uit in de hoop dat Gil-Robles tot premier zou worden benoemd, maar president Alcalá Zamora, bang voor heftige reacties van links, koerste aan op nieuwe verkiezingen die op 16 februari 1936 plaatsvonden en waarbij het linkse Volksfront en de CEDA als blokken tegenover elkaar stonden. Het Volksfront won en Azaña kwam opnieuw aan de macht. Omdat de socialisten niet wensten samen te werken met burgerlijke politici formeerde Azaña een minderheidskabinet dat vrijwel geheel bestond uit leden van zijn eigen partij. Inmiddels was het onderlinge geweld tussen rechtse groeperingen zoals de Falange en de links revolutionairen en anarchisten sterk toegenomen en Azaña verzuimde streng op te treden. Met name tegen aanvallen die aanhangers van extreem links deden op kerken en kloosters. De werkloosheid steeg onrustbarend en daarmee de arbeidsonrust. De revolutionairen wachtten op hun kans de macht te veroveren en het leger maakte zich op om in te grijpen.

José Calvo Sotelo
José Calvo Sotelo

Burgeroorlog
Begin april 1936 werd Alcalá Zamora ten val gebracht en Azaña verkozen tot president. De man die dit had georkestreerd was Prieto die, wat hem betrof, Azaña liever zo snel mogelijk zag verdwijnen uit de actieve Spaanse politiek om op die manier de weg vrij te maken voor een premier van een breder samengesteld kabinet dat daadkrachtiger zou kunnen optreden in de republiek. Prieto had zichzelf die rol toebedacht, maar het was wederom zijn eigen partij, de PSOE, die daar heel snel een stokje voor stak. De volgelingen van Largo Caballero bleven onvermurwbaar en wilden uitsluitend samenwerken met revolutionair-links en beslist niet met de republikeinen. Opnieuw trad een minderheidskabinet aan dat vrijwel machteloos toezag dat het straatgeweld zich bijna per dag verhevigde. Voor de militairen was de grens uiteindelijk bereikt en de brute moord op 13 juli 1936 op de monarchistische leider José Calvo Sotelo, was voor de militairen dan ook de spreekwoordelijke druppel die de emmer deed overlopen. De opstand der militairen, geleid door generaal Emilio Mola Vidal, begon en de Spaanse Burgeroorlog brak uit in de republiek. Maar daarover leest u in de volgende aflevering van ‘Spaanse Sporen’ meer.


Tekst: Jan Nicolas
Afbeeldingen: Adobe