In naam van Oranje

DE TREIN

DE TREIN

Het is druk in de trein. Benauwd ook. De passagiers zitten echt hutje op mutje. De jonge vrouw vervloekt zichzelf dat ze haar water is vergeten. Bij gebrek aan een zitplaats is ze maar op haar koffer gaan zitten. Het is haar hele bezit, de koffer met daarin de snel bij elkaar geraapte kleding en wat boeken. Want lezen is haar lust en haar leven. Waar ze naartoe gaat weet ze niet. Vindt ze ook niet belangrijk. Ze is op weg naar een betere toekomst en werk. Ze weet nog niet wat voor werk, maar dat maakt haar niets uit. Alles beter dan die eeuwige sleur van verveling.

ZE KIJKT NAAR BENEDEN EN ZIET DAT ER ZICH TUSSEN DE BENEN VAN DE VROUW EEN KLEIN PLASJE VORMT

Ongelooflijk hoe warm het is in de wagon. Ze zou een moord doen voor een beetje frisse lucht. Ze moet al een tijdje plassen, maar er is geen doorkomen aan als je naar de wc wilt. Dus besluit ze het maar gewoon op te houden. Naast haar staat een oudere dame. Die heeft het ook warm, getuige de stralen zweet die van haar hoofd aflopen. Ze kijkt naar beneden en ziet dat er zich tussen de benen van de vrouw een klein plasje vormt. “Dat kan toch niet allemaal zweet zijn”, denkt ze. Maar dan ruikt ze ineens de sterke geur van urine. De vrouw durft haar niet aan te kijken. De jonge vrouw hoopt dat ze er snel zullen zijn, want ook haar drang om te plassen is bijna ondragelijk. Het lijkt wel alsof de oudere dame het startschot heeft gegeven voor een algehele plaspauze. Al snel is het niet alleen verschrikkelijk warm in de wagon, maar stinkt het ook als de hel naar ongewassen lichamen, oud zweet en urine.

De rit gaat maar door en door. Ze passeren dorpjes, steden, maar stoppen nergens. Haar hele lichaam doet inmiddels pijn. En plassen doet ze nu ook gewoon waar ze staat. Het begint normaal te worden. In haar trance voelt ze ineens hoe de trein vaart mindert. Ze hoort remmen piepen. Lawaai van stemmen die van alles door elkaar roepen. De deuren gaan open en de jonge vrouw neemt gulzig een flinke teug frisse lucht. Te gulzig, getuige haar hevige hoestbui. Ze gaat met de andere passagiers naar buiten, het perron op. Het felle zonlicht doet pijn aan haar ogen. Ze kijkt rond, maar het enige wat ze ziet is een poort met daarboven de tekst Arbeit macht frei.

Jan van Oranje