Bragi Proëzie

ALS IK TOCH EENS VLIEGEN KON

ALS IK TOCH EENS VLIEGEN KON

Als ik toch eens vliegen kon, dan vloog ik met de vogels mee, hoog in de lucht, in de zon, als een fee, achtjes draaiend in mijn vlucht, tussen wolken zacht als watten, die de hemel bevatten. Als ik toch eens vliegen kon, dan was de hemel mijn plafond, kon ik gaan naar waar ik wou, zelf kiezen, in keuzes verliezen, maar dan koos ik jou. Als ik toch eens vliegen kon, zwevend als een ballon, tussen hemel en aard, kijkend naar een deken van kleuren, beneden, die het geheel opfleuren, terwijl ik doorvlieg, onvervaard. Als ik toch eens vliegen kon, dan kwam ik jou misschien wel tegen, vermomd als pluis, zwevend naar de horizon, op weg naar een logeerhuis, in het zuiden gelegen, zachtjes dwarrelend over onbetreden luchtwegen. Als ik toch eens vliegen kon, zwevend samen met mijn pluis, naar een ver oord, een heel eind, daar waar de zon altijd schijnt, naar een huisje dat ons beide bekoort. Als ik toch eens vliegen kon… maar ik kan niet vliegen, het blijft bij staren naar de horizon, terwijl ik, in dromen verzonken, zachtjes blaas tegen de bol met pluisjes in mijn hand, die, door mij aan de lucht geschonken, dwarrelen naar een heel ver land. 

Bragi ‘18

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *