(1470 – 1556) DE KATHOLIEKE VORSTEN EN CARLOS I

(1470 – 1556) DE KATHOLIEKE VORSTEN EN CARLOS I

Spanje heeft een rijke geschiedenis. In de prehistorie was het de laatste toevluchtshaven van de neanderthalers en herbergde het onze voorouders, de cro-magnonmensen, die de prachtige schilderingen aanbrachten in de grotten van Altamira. Later vestigden zich op het Iberisch schiereiland de Foeniciërs en Grieken en vochten de Carthagers er met de Romeinen. De daaropvolgende Romeinse bezetting duurde vele eeuwen en beïnvloedde de cultuur van Spanje diepgaand. Na de Romeinen namen de Visigoten bezit van het schiereiland, op hun beurt gevolgd door de Moren waarna een weergaloze culturele bloeitijd aanbrak. Honderden jaren nadien veroverden de christelijke koningen uit Castilië en Aragón het schiereiland, de Reconquista, en vestigden Carlos I, die wij beter kennen als keizer Karel V, en Felipe II een wereldrijk vooral door hun veroveringen in Amerika. Na een lange periode van neergang begon in de negentiende eeuw het gevecht tussen het oude regime en het liberalisme. Het anarchisme schoot wortel en het voorspel tot de Burgeroorlog van 1936-1939 begon. Deze oorlog trok sporen tot in het heden en bracht Spanje bijna veertig jaar dictatuur onder Franco.


Deze aflevering van ‘Spaanse sporen’ omspant de periode van de katholieke vorsten van 1470 t/m 1516 en het imperium van Carlos I van 1516 t/m 1556.

In de geschiedenis van Spanje hebben huwelijken tussen leden van koninklijke families altijd een grote rol gespeeld om hun macht te vergroten. Op die manier wist Sancho de Grote zijn koninkrijk Pamplona aanzienlijk uit te breiden en lijfde Aragón in de 13e eeuw het graafschap van Barcelona in. Maar het meest spectaculaire voorbeeld van een dergelijke machtsuitbreiding is het huwelijk van Isabel I de Castilla met Fernando II de Aragón in 1469. Door deze echtverbintenis werden de twee grote rijken op het Iberisch schiereiland aan elkaar geklonken en ontstond het moderne Spanje. Ze waren overigens verre familie van elkaar via hun beider overgrootouders.

De katholieke vorsten
Isabel I was een halfzuster van koning Enrique IV, bijgenaamd ‘de Impotente’, die gehuwd was met Juana de Portugal. Haar oudere broer, Alfonso, was naar voren geschoven als troonpretendent omdat een aantal edelen het recht op de troon van Enrique’s dochter Juana bestreden, omdat ze een onecht kind zou zijn, verwekt door de edelman Beltrán de la Cueva, vandaar dat zij ‘Juana la Beltraneja’ werd genoemd. In het conflict dat zich ontwikkelde tussen Enrique IV en zijn halfbroer Alfonso bevond Isabel zich in een lastige positie. Zij steunde de aanspraken van haar broer op de troon, maar zij kon de koning niet openlijk afvallen. Toen de nog jonge Alfonso overleed en Isabel naar voren werd geschoven als kandidaat voor de troon, deed zij een geslaagde poging om de vrede tussen de rebellen en Hendrik IV te bewerkstelligen. Dat gebeurde door af te zien van een aanval op de positie van de koning bij leven, in ruil waarvoor Hendrik haar zou aanwijzen als wettelijke opvolger in plaats van zijn dochter Juana. Dit werd vastgelegd in het zogeheten ‘Pacto de los Toros de Guisando’, waarin de koning de rechten op de troon overdroeg aan Isabel onder voorwaarde dat zij niet zou huwen zonder zijn toestemming. Duidelijk werd dat er met Isabel een troonpretendent was aangetreden die zich onderscheidde door een helder politiek inzicht en doorzettingsvermogen. Isabel hield zich niet aan de afspraak met haar vader en trouwde in 1469 met de kroonprins van Aragón, Fernando II, waarop Enrique de rechten op de troon toewees aan Juana la Beltraneja. Omdat onder de burgers van Castilië in die tijd een groot verlangen leefde naar rust in het koninkrijk na vele jaren van onderlinge vetes, was het was niet vreemd dat er steun groeide voor Isabel, van wie men verwachtte dat zij orde zou kunnen scheppen in het land. In december 1474 werd Isabel uitgeroepen tot koningin van Castilië.

Fernando en Isabel
Met haar man sloot zij een deal waarin de positie van Fernando gelijk gesteld werd aan die van Isabel. De successieoorlog die uitbrak tussen de Portugezen die de rechten van Enrique’s dochter Juana la Beltraneja verdedigden, de ‘enriquinos’, en de aanhangers van Isabel, de ‘isabelinos’, eindigde met het ‘Pacto de Alcaçovas’, waarin bepaald werd dat de Portugezen afzagen van hun rechten op de Castiliaanse troon. Daarmee kwam definitief een eind aan de aspiraties van Juana la Beltraneja. Isabel I en Fernando II, die in 1479 zijn vader Juan II was opgevolgd als koning van Aragón, besloten in 1482 het laatste Moorse bolwerk Granada te veroveren, wat pas lukte in 1492 toen de Moorse sultan Boabdil zich overgaf. Als beloning voor het afronden van de Reconquista werden Isabel en Fernando in 1496 door paus Alexander VI getooid met de eretitel ‘Katholieke Vorsten’. Het bestuur van de vorsten is van grote betekenis geweest voor de institutionele hervormingen van het land en tijdens hun regeerperiode kwamen de veroveringen in Amerika op gang. In 1503 werd het Casa de Contratación te Sevilla opgericht dat tot taak had de tochten naar de nieuwe wereld en de exploitatie van deze gebieden te reguleren. Al in 1501 verbood Isabel het tot slaaf maken van de inboorlingen, een verordening die uitmondde in het systeem van de ‘encomiendas’. Aan kolonisten, de ‘encomenderos’, kon het recht toegekend worden om indianen voor zich te laten werken, die zij geacht werden rechtvaardig te behandelen en te kerstenen. Een goedbedoeld systeem dat echter van lieverlee ontaardde in regelrechte slavernij.

Instelling Spaanse Inquisitie
Met Portugal werd het pact van Tordesillas gesloten dat de tot dan toe onontdekte wereld verdeelde in voor elk van hen twee gelijke delen. Het bestaan van de joodse minderheid was aanleiding voor Isabel en Fernando om in 1480 de Spaanse Inquisitie in te stellen en in 1492 een verordening uit te vaardigen, het edict van Granada, ter uitwijzing van joden die zich niet wensten te bekeren. Eenzelfde besluit trof in 1499 de zigeuners, die vanwege hun afwijkende cultuur niet geaccepteerd werden en in 1502 was het de beurt aan de islamieten. Hoewel bij de inname van Granada aan de Moren geloofsvrijheid was toegezegd, werd deze belofte van meet af aan geschonden door het optreden van kardinaal Cisneros, die toen aan het hoofd stond van de Inquisitie. Isabel overleed in 1504. Omdat haar erfopvolgster, Juana de Castilla, bijgenaamd ‘de Waanzinnige’, niet in staat geacht werd het rijk te regeren, kwam de macht in handen van haar man, Felipe I de Habsburgo, bijgenaamd ‘de Schone’. Toen deze na twee jaar overleed, werd Fernando II regent en sloot hij de volledig ingestorte Juana op in het convent van Tordesillas. In 1512 veroverde Fernando Navarra dat in 1516 werd toegevoegd aan de Spaanse kroon. Daarmee was, afgezien van Portugal, de integratie van de christelijke rijken op het schiereiland compleet voltooid. Fernando overleed in datzelfde jaar en de zoon van Juana van Castilië, Carlos I, de latere grote keizer Karl V van het Heilige Roomse Rijk, erfde vervolgens de troon in Spanje.

Het imperium van Carlos I
In 1504 erfde Juana de Castilla (Johanna de Waanzinnige) de troon van Spanje van haar moeder Isabel I. Vanwege haar mentale instabiliteit werd haar vader, Fernando II, regent en vanaf 1517 vervulde haar zoon Carlos I de rol van koning naast Juana, tot aan haar overlijden in 1555. Carlos I werd geboren op 24 februari 1500 in het Belgische Gent. Zijn moedertaal was Frans, maar hij beheerste ook het Nederlands en later het Spaans. Carlos was een vroom man, vooral vanwege de invloed die Adriaan van Utrecht, de latere en enige Nederlandse paus ooit, Adrianus, op hem had. In 1517 vertrok Carlos richting Spanje om daar tot koning Carlos I van Castilië te worden ingezworen. Begin 1519 overleed Maximilian I, keizer van het Heilige Roomse Rijk en om de keizerstroon te bemachtigen reisde Carlos af naar Aken.

Bekering van de moslims
Omdat de Castilianen opdraaiden voor de kosten van deze campagne en vreesden dat met zijn kroning tot keizer Castilië zou degraderen tot een dependance van het Habsburgse rijk, kwamen diverse steden in opstand. Deze opstand mondde uit in de oorlog van de Comunidades van Castilië die eindigde in 1522. In 1519 brak de pest uit in Valencia, waarop de bewoners revolteerden. Bijgelovig als zij waren, hadden zij het vooral gemunt op de mudéjares, in de streek woonachtige moslims, die zij ervan verdachten de epidemie te hebben veroorzaakt. Dit leidde tot een opstand van de Germanías (handwerkgilden) in Aragón die met harde hand werd neergeslagen. De geloofsijver van kardinaal Cisneros om de mudéjares te bekeren leidde tot het ingewikkelde maatschappelijke probleem van de moriscos (bekeerde Moslims). In de eerste plaats kregen de moriscos dezelfde status als de christelijke arbeiders, wat de landeigenaren beroofde van hun goedkope arbeidskrachten. Een tweede probleem vormde het antwoord dat de bekeerde moslims hadden op de gedwongen bekeringen. In geval van dwang is het volgens de Koran gepermitteerd het eigen geloof te verbergen of een andere overtuiging te simuleren. Deze vorm van lijdelijk verzet wordt de ‘taqiyya’ genoemd. Daardoor kwamen de moriscos in dezelfde positie als de joden die na de val van Granada in 1493 waren uitgewezen. Het wantrouwen dat bestond over de echtheid van het christelijk geloof van de moriscos leidde tot verhoogde activiteit van de Inquisitie en uiteindelijk na bijna een eeuw van gedwongen bekeringen tot uitwijzing van de moriscos in 1609.

Ontdekking van Amerika
Toen Carlos na zijn keizerverkiezing in 1522 terugkeerde naar Spanje viel het in de smaak bij de Castilianen dat hij iemand huwde die afkomstig was van het Iberisch schiereiland: zijn nicht Isabel, prinses van Portugal. In 1527 werd hun eerste kind geboren, Felipe II. Isabel overleed in 1539 tijdens de bevalling van haar zesde kind. Na de ‘ontdekking’ in 1492 van Amerika door Columbus werden in hoog tempo de Caraïbische eilanden gekoloniseerd en ging men druk op zoek naar een doorvaart naar de Zuidzee. Natuurlijk was het vinden van de westelijke doorvaart een belangrijk motief om het Amerikaanse continent te exploreren, maar ook hechtten zij veel waarde aan de verbreiding van het christelijk geloof. Daarnaast was er de verlokking van de rijkdommen die van belang waren om de kosten te dekken van de oorlogen die Carlos I voerde als keizer van het Heilige Roomse Rijk en uiteraard voor de conquistadores zelf. De eerste grote veroveringstocht werd in 1519 gemaakt door Hernán Cortés, die Mexico veroverde. In 1531 begon de tocht van Francisco Pizarro naar Peru. De hoofdstad der Inca’s, Cuzco, werd ingenomen en Pizarro maakte enorme goudschatten buit. Vanaf 1521 drongen de Spanjaarden ook Noord-Amerika binnen. Het door Castilië ontwikkelde systeem van encomiendas, dat aan de kolonisten het recht toekende om indianen voor zich te laten werken, mits zij hen rechtvaardig behandelden, was al snel ontaard in slavernij, opstanden en bloedbaden. In de ogen van de dominicaan Bartolomé de las Casas was het gedrag van de veroveraars een schandvlek op het christelijk blazoen en zijn beschrijving van de moordpartijen van de conquistadores veroorzaakte een schok in Castilië. In 1542 leidde dat tot een verbod op het systeem van encomiendas en slavernij. De reactie in Amerika was furieus en bracht een rebellie teweeg onder de kolonisten. Het debat over deze kwestie laaide hoog op onder theologen, maar tot een uitspraak van hen kwam het nooit, zij het dat het gedachtegoed van De las Casas op de meeste sympathie kon rekenen.

Hij overleed na een pijnlijke doodstrijd
Aan de andere kant van de oceaan gingen de wreedheden gewoon door. Na zijn verkiezing tot keizer van het Heilige Roomse Rijk regeerde Carlos I als Karl V over een gigantisch gebied dat ongeveer de helft van Europa besloeg en een deel van Amerika. Carlos heeft zich gedurende zijn gehele regeerperiode moeten weren tegen aanvallen van vooral de Fransen en Ottomanen op onderdelen van zijn rijk die buiten het Iberisch grondgebied lagen. Ook voerde hij strijd binnen het Heilige Roomse Rijk tegen de protestantse vorstendommen. Al deze oorlogen werden grotendeels gefinancierd met gelden afkomstig uit het politiek rustige Castilië dat kon beschikken over een grote instroom van rijkdommen uit de door de conquistadores veroverde gebieden. In 1556 besloot Carlos tot abdicatie en liet zijn Spaanse bezittingen na aan zijn zoon Felipe II, die daarmee de Nederlanden erfde. Carlos’ broer Fernando erfde het keizerrijk en werd in 1558 formeel tot keizer van het Heilige Roomse Rijk benoemd. Carlos I had ernstig te lijden van jicht en gaf er de voorkeur zijn laatste levensjaren in rust en overdenking door te brengen. Hij nam zijn intrek in een paleis naast het klooster van Yuste, en overleed daar op 21 september 1558 aan malaria na een pijnlijke doodsstrijd.

Tekst: Jan Nicolas
Foto: Adobe