(1900 t/m 1931) REGENERATIE, DICTATUUR EN EEN BLOEDIGE OORLOG

(1900 t/m 1931) REGENERATIE, DICTATUUR EN EEN BLOEDIGE OORLOG

Spanje heeft een rijke geschiedenis. In de prehistorie was het de laatste toevluchtshaven van de neanderthalers en herbergde het onze voorouders, de cro-magnonmensen, die de prachtige schilderingen aanbrachten in de grotten van Altamira. Later vestigden zich op het Iberisch schiereiland de Foeniciërs en Grieken en vochten de Carthagers er met de Romeinen. De daaropvolgende Romeinse bezetting duurde vele eeuwen en beïnvloedde de cultuur van Spanje diepgaand. Na de Romeinen namen de Visigoten bezit van het schiereiland, op hun beurt gevolgd door de Moren waarna een weergaloze culturele bloeitijd aanbrak. Honderden jaren nadien veroverden de christelijke koningen uit Castilië en Aragón het schiereiland, de Reconquista, en vestigden Carlos I, die wij beter kennen als keizer Karel V, en Felipe II een wereldrijk vooral door hun veroveringen in Amerika. Na een lange periode van neergang begon in de negentiende eeuw het gevecht tussen het oude regime en het liberalisme. Het anarchisme schoot wortel en het voorspel tot de Burgeroorlog van 1936-1939 begon. Deze oorlog trok sporen tot in het heden en bracht Spanje bijna veertig jaar dictatuur onder Franco.


Deze aflevering van ‘Spaanse sporen’ omspant de roerige periode na het rampjaar van 1898, de periode van 1900 t/m 1931, een tijd van regeneratie, dictatuur en de bloedige ‘rifoorlog’.

Na het rampjaar van 1898, waarin Spanje de oorlog met de VS verloor en zijn overzeese koloniën kwijtraakte, was eigenlijk iedereen overtuigd van de noodzaak van politieke wederopbouw. Het regeneratiedenken deed zijn intrede. Er bestonden twee stromingen, die van intellectuelen en politici die een heldere en wetenschappelijk verantwoorde vernieuwing voorstonden en een stroming van schrijvers en kunstenaars die hun eigen opvattingen lieten prevaleren. Deze tweede stroming, ‘de generatie van 1898’, sloeg een pessimistische toon aan en werd later door de filosoof José Ortega y Gasset ‘de Onheilsgeneratie’ genoemd. Zelf behoorde hij tot de optimistischer gestemde beweging die aan het begin van de Eerste Wereldoorlog van zich deed spreken: ‘de Generatie van 1914’, de generatie van de hoop. Serieus werd geprobeerd om het land er financieel en economisch weer bovenop te helpen. Antonio Maura, leider van de Partido Conservador, trachtte dat te doen door van bovenaf bestuurlijke veranderingen aan te brengen, terwijl zijn collega van de progressieve Partido Liberal, José Canalejas, het zocht in hervormingen langs democratische weg, van onderop. Ook zag Canalejas het belang in van de dialoog met de arbeidersbeweging. In 1902 aanvaardde Alfonso XIII op de meerderjarige leeftijd van zestien daadwerkelijk het koningschap. Hij bemoeide zich nadrukkelijk met regeringszaken en trok meestal één lijn met de militairen. Hij huwde in 1906 de Britse prinses Victoria Eugénie van Battenberg. Hun derde kind was Juan, grootvader van de huidige koning Felipe VI.

Eerste Wereldoorlog
Ten gevolge van een aanslag van inheemsen op arbeiders in dienst van Spaanse mijn-exploitanten in 1909, brak in Marokko de oorlog van Melilla uit. Het besluit van Maura om grote aantallen reservisten op te roepen leidde tot ernstige incidenten in Barcelona die bekend staan als die van de Tragische Week. In een klimaat waarin onder arbeiders het republicanisme en antiklerikalisme sterk groeiend was en anarchisten het geweld niet schuwden, groeide deze incidenten uit tot een opstand die door Guardia Civil en het leger werd neergeslagen. Protesten tegen Maura in binnen- en buitenland brachten de koning ertoe Canalejas tot premier te benoemen. Bij de verkiezingen van 1910 werd voor het eerst een socialist in de Cortes gekozen: Pablo Iglesias, oprichter van de PSOE (1879). Canalejas stimuleerde collectieve onderhandelingen tussen werkgevers en werknemers en richtte zich op verbetering van de arbeidsvoorwaarden. Hij werd in 1912 door een anarchist om het leven gebracht. In 1914 brak de Eerste Wereldoorlog uit, waarin Spanje neutraal bleef. De oorlog betekende voor Spanje dat er zich een buitenlandse markt opende en dat bracht de Spaanse economie in een stroomversnelling. Maar de trek naar de grote steden en de oplopende inflatie veroorzaakte sociale onrust die uitliep in de grote revolutionaire staking van 1917, georganiseerd door de PSOE en de UGT (de nationale vakbond). Deze staking eindigde in een mislukking en tal van vooraanstaande socialisten werden gearresteerd. Onder hen waren Julian Besteiro van de PSOE en Francisco Largo Caballero van de UGT.

DE EERSTE WERELDOORLOG BRACHT DE ECONOMIE VAN HET NEUTRALE SPANJE IN EEN STROOMVERSNELLING

De Rifoorlog
Na hun vrijlating wisten deze stakingsleiders bij de verkiezingen in 1918 een zetel in de Cortes te bemachtigen. De arbeidsonrust nam na het neerslaan van de staking van 1917 verder toe en de syndicaten groeiden in omvang, met name de in 1910 opgerichte anarchistische bond, de CNT. Er werd op grote schaal gestaakt. Het ging daarbij niet meer alleen om verbetering van arbeidsvoorwaarden, maar ook eisten de vakorganisaties dat er een eind kwam aan de archaïsche eigendomsverhoudingen. In het Spaans-Marokkaanse protectoraat tekende zich na WO I een heftige strijd af tussen de Spaanse troepen en opstandige inheemse bevolking. Deze zogeheten Rifoorlog werd van 1920 tot 1926 uitgevochten tussen Spanje en de Rif-Republiek. Deze guerrillaoorlog had als doel de onafhankelijkheid van het gebied. Mohammed Abdelkrim El Khattabi wist de Riffijnse stammen te verenigen en leidde de strijd in de Spaanse Zone van Noord-Marokko.

In het eerste jaar was Abdelkrim Khattabi aan de winnende hand en versloeg hij de Spanjaarden zelfs verpletterend bij de Slag om Annual (1921) en Monte Arruit. De Spanjaarden trokken zich terug in de enclaves Ceuta en Melilla; hiermee was Noord-Marokko in Riffijnse handen. Abdelkrim Khattabi riep de Rif-Republiek uit en probeerde via de Volkerenbond erkenning voor de republiek te krijgen maar dit mislukte. Vervolgens probeerde hij via politieke weg de Rif-Republiek tot stand brengen, maar de Spanjaarden sloegen terug met hulp van Frankrijk, onder leiding van maarschalk Philippe Pétain. Tijdens deze oorlog maakten Spanje en Frankrijk gebruik van door Duitsland geleverd gifgas. In totaal werd er zo’n 500 ton mosterdgas tegen de Riffijnen gebruikt. Er vielen vele doden en gewonden en de oogsten waren door het gif aangetast. De Riffijnen rekenden in eerste instantie nog op steun van de stammen uit Nador en de Fassi-elite uit Fez, maar die lieten de Riffijnen aan hun lot over, bang als ze waren dat de Riffijnen te veel macht zouden krijgen. De Riffijnen kregen echter nooit macht in Marokko. Aangevallen door Frankrijk en Spanje en met op de achtergrond veel doden en een dreigende hongersnood, moest Abdelkrim Khattabi zich overgeven. Met die overgave verloren de Riffijnen hun relatieve zelfstandigheid.

GESTEUND DOOR DE KONING PLEEGDE GENERAAL MIGUEL PRIMO DE RIVERA IN 1923 EEN STAATSGREEP

Staatsgreep
Direct ma de zware nederlagen bij Annual en Monte Arruit, kreeg de legerleiding zware verwijten te horen, maar ook Alfons XIII bleef kritiek niet bespaard. Het socialistische parlementslid Indalecio Prieto legde de schuld van Annual ronduit bij de monarchie. Als reactie hierop pleegde generaal Miguel Primo de Rivera, gesteund door de koning, in 1923 een staatsgreep. De grondwet werd buiten werking gesteld, de Cortes naar huis gestuurd en het Militair Directoraat nam het landsbestuur in handen. Geïnspireerd door hoe Mussolini vorm gegeven had aan de Italiaanse staat, koos Primo de Rivera ervoor om alle politieke partijen te verbieden en over te gaan tot een eenheidspartij: de Unión Patriótica. De persvrijheid werd aan banden gelegd, het gebruik van andere talen dan het Castiliaans verboden evenals het vertonen van regionale symbolen als de Baskische vlag.

OP 14 APRIL 1931 TRAD DE KONING AF EN GING HIJ IN BALLINGSCHAP

Aftreden van de koning
De populariteit die Primo de Rivera genoot vanwege zijn succes in Marokko stelde hem staat een poging te wagen zijn regime te bestendigen door het een meer civiel karakter te geven. Hij verving het Militaire Directoraat door een burgerlijk bestuur, het Civiel Directoraat. Primo de Rivera had grootse plannen op sociaaleconomisch gebied: een combinatie van staatsinterventie in de economie en een programma van sociale hervormingen. Die hervormingen wilde hij realiseren via een corporatistisch model van harmonieuze samenwerking tussen werkgevers en werknemers, waarvoor hij steun zocht en kreeg van UGT-voorman Largo Caballero. Gaandeweg groeide de kritiek van intellectuelen op de dictator en in 1926 begon ook het leger tekenen van onvrede te vertonen vanwege het door Primo de Rivera gelanceerde open systeem van bevorderingen (niet gebaseerd op anciënniteit). In december 1929 gaf Primo de Rivera het op en bood zijn ontslag aan. Door iedereen verlaten en uitgeput vertrok hij naar Parijs waar hij enkele maanden later in eenzaamheid overleed. In 1931 vonden gemeenteraadsverkiezingen plaats die uitliepen op een overwinning voor de republikeinse partijen in de steden. Op 14 april was het zover; de koning trad af en ging in ballingschap.


Tekst: Jan Nicolas
Foto’s: Adobe